Kennisbank

Via de kennisbank van Stichting Herbezinning kun je je verdiepen in de wereld van Münchausen by Proxy. Dit kan aan de hand van wetenschappelijke artikelen, juridische uitspraken en andere relevante publicaties.

Wetenschappelijke onderzoeken

Van de Akker, KAAA. Münchhausen by proxy: een scala aan bewijsproblemen. Afstudeerscriptie Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Afdeling Criminologie, Amsterdam 26 mei 2018.

In deze scriptie wordt verslag gedaan van een kwalitatief criminologisch onderzoek van twee zaken waarin ouders ten onrechte zijn beschuldigd van het creëren van een situatie van Münchausen by proxy. Op grond van een literatuurstudie concludeert de auteur dat veel veroordelingen hiervoor berusten op onbetrouwbaar bewijs. Dit bleek ook het geval in de 2 zaken die zij voor deze scriptie heeft onderzocht. De auteur geeft de aanbeveling alle gevallen te analyseren waarin aan Veilig Thuis vermoeden van Münchhausen by proxy (of een anders genoemde maar gelijkaardige beschuldiging als ‘medische overconsumptie’) is gemeld. Daarbij wijst de auteur er met nadruk op dat Münchhausen by proxy géén syndroom is en er dus ook geen vaste kenmerken zijn waaraan deze zeer zeldzame, specifieke vorm van kindermishandeling herkend kan worden.

Tot slot is opmerkelijk dat de auteur moest vaststellen dat anno 2018 nog steeds bij Veilig Thuis de gedachte leeft dat het niet aan de vertrouwensartsen van Veilig Thuis is om de waarheid te achterhalen, zij zijn er om kinderen te beschermen tegen (dreigend) gevaar. Hiertegen heeft de nationale ombudsman in 2011 reeds krachtig stelling genomen (Mr. M. van Zanten en dr. A.F.M. Brenninkmeijer. Waarheidsvinding: van groot belang in de jeugdbescherming. Tijdschrift voor Familie-en Jeugdrecht 2011/76).

Zie voor het volledige artikel: Scriptie rondom Münchausen by proxy (PDF download)

Wetenschappelijke artikelen

Pediatric Condition Falsification misdiagnosed by misjudged weight growth from the curve of measured weights. American Journal of Case Reports 2018;19:752-756.

Een baby met koemelkallergie groeide 2 maanden niet maar ander voedsel leidde tot zeer sterke inhaalgroei ondanks een te laag gewicht. Zijn kinderarts kon gewicht niet van gewichtsgroei onderscheiden en diagnosticeerde PCF door de moeder, bevestigd door 2 andere kinderartsen, 3 vertrouwensartsen, 4 kinderbeschermingsorganisaties en 6 kinderrechters. De jongen werd 8 maanden uit huis geplaatst. Echter, na voedselaanpassing toonde analyse van de gewichtscurve een sterker dan normaal groeigedrag. De vraag ‘hoe konden zo veel artsen gewichtsgroei zo fout bepalen?’ wordt besproken.

Zie voor het volledige artikel: Foute diagnose kindermishandeling door foute gewichtsgroeibepaling [org. Misdiagnosed Pediatric Condition Falsification] (PDF download)

Limitations of weight velocity analysis by commercial computer program Growth Analyser Viewer Edition. Annals of Biomedical Engineering 2019;47:297-305.

Commercieel computerprogramma Growth Analyser Viewer Edition analyseert groei van kinderen, echter zonder publicaties van methodes en validatie. Gewichtsgroei is het gewichtsverschil over 448 dagen gedeeld door 448. Deze methode, o.a. toegepast op de eerder gepubliceerde casus, toont onjuiste resultaten aan als gewichtsveranderingen optreden.

Zie voor het volledige artikel: Foute gewichtsgroeibepaling door commerciële software [org. Limitations of Commercial Weight Growth Software] (PDF download)

Weight velocity equations with 14-448 days time separated weights should not be used for infants under 3 years of age. Medical Hypotheses 2019;129:109234.

De auteurs toonden eerder aan dat 2-tijdspunten gewichtsgroei onjuist was bij een lang tijdsverschil van 448 dagen. Hier bespreken zij de hypothese dat ook gewichtsgroeivergelijkingen met kortere tijdsverschillen, toegepast op typisch fluctuerende gewichten van kinderen onder de 3 jaar, de nauwkeurigheid niet verbetert.

Zie voor het volledige artikel: Fouten omtrent meten van lichaamsgewichten van kinderen

Sauer P, Willemsen J. Melding Münchhausen by proxy vergt second opinion. Med Contact 2018;15:22-4.

In dit artikel vragen een emeritus-hoogleraar kindergeneeskunde en een in familierecht gespecialiseerde advocaat aandacht voor de uiterst complexe situaties waarin kinderartsen de mogelijkheid (menen te moeten) overwegen dat een ouder, meestal de moeder, op enigerlei wijze verantwoordelijk moet zijn voor het feit dat haar kind ziek is dan wel blijft. Een dergelijke situatie wordt in de medische literatuur aangeduid als Münchhausen by proxy wanneer de moeder daarbij streeft naar het aannemen van de rol van zieke, door haar eigen kind ziek te maken of ziek voor te stellen. Zij pleiten ervoor dat de kinderarts voordat hij deze diagnose met al zijn grote sociale gevolgen voor de betrokken familie stelt, eerst onderzoek laat verrichten door een geheel onafhankelijke en ervaren kinderarts.

Zie voor het volledige artikel: Melding münchhausen by proxy vergt second opinion

Woorden met waarde - bij de aanpak van kindermishandeling. Essay in opdracht van het ministerie van VW&S, oktober 2013.

De auteur is filosoof en ethicus. Zijn motto is: professionele ethiek moet zowel praktisch relevant als wijsgerig interessant zijn. In dit essay wijst hij erop dat bij (vermoedens van) kindermishandeling vele uiteenlopende waarden relevant zijn, die samen een beeld geven van wat er op het spel staat voor kinderen en andere betrokken personen en partijen. En dat daarbij het risico bestaat – zowel in beleidsmaking als op de werkvloer van jeugdzorg – dat sommige waarden ten koste van andere waarden de boventoon gaan voeren. Om dat te vermijden moet voortdurend de balans gezocht worden tussen enerzijds kritisch beschouwelijke afstand tot de concrete situaties en anderzijds het beroep op het gevoel van die situaties. De auteur laat zien dat menselijke kernwaarden als veiligheid, vrijheid & verantwoordelijkheid, vertrouwen en gerechtigheid “in het moerassig laagland van de professionele aanpak van kindermishandeling” geregeld op gespannen voet met elkaar staan.

Zie voor het volledige artikel: Woorden met waarde – Jos Kole (PDF download)

Prinsen P. Over de prevalentiestudie van kindermishandeling. Ned Jur Blad 2017;1130, 1-13.

De auteur schetst eerst de maatschappelijke geschiedenis en context van het fenomeen kindermishandeling. Daarbij vraagt hij aandacht voor de aandrijving van de zgn. incidentenreflex ter bestrijding van kindermishandeling bij bestuurders, door onder meer de Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen van 2005 die met opzienbarende cijfers kwam: 102.216 slachtoffers van kindermishandeling in het jaar 2004. Er volgden wetswijzigingen, meldcodes, risicotaxatie-instrumenten, een Akademie tegen Kindermishandeling, een ministeriële Taskforce Kindermishandeling, instellen van een jaarlijkse Week-tegen-Kindermishandeling en nog ontelbaar vele initiatieven om het kwaad te bestrijden en vooral te melden.

Daarna wordt de opzet van de Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen van 2010 (NPM-2010) en de verplichte screening met de SPUTOVAMO-R2 checklist (zoals beschreven door Schouten in haar proefschrift) uiteengezet.

Vervolgens wordt het NPM-2010 kritisch beschouwd. Daarbij stelt de auteur dat niet de prevalentie van kindermishandeling maar anonieme vermoedens van informanten zijn gekwantificeerd. Hij laat zien dat het brede spectrum van het bestudeerde fenomeen reikt van ‘seksuele penetratie’ tot ‘vaak zonder ontbijt naar school’. Prinsen wijst er voorts op dat in de studie de cijfers van Veilig Thuis zonder enige reserve als valide worden beschouwd, terwijl er redenen waren (en zijn) daaraan te twijfelen, gelet op het destijds (en nog steeds!) in het jeugddomein breed gehuldigde motto: “In het Jeugddomein gaat het niet om waarheidsvinding”.

Prinsen berekent hierna aan de hand van de instroom van het aantal ondertoezichtstellingen dat er een jaarlijkse instroom van hooguit 11.000 gevallen van kindermishandeling is en dit getal in werkelijkheid nog een stuk lager ligt. Dit omdat kindermishandeling niet altijd hieraan ten grondslag ligt en omdat de maatregel in een aantal gevallen ten onrechte is opgelegd.

Zie voor het volledige artikel: Over de prevalentiestudie van kindermishandeling – Peter Prinsen (PDF download)

Systematic screening for child abuse in out-of-hours primary care. Proefschrift Universiteit van Utrecht, 23 maart 2017.

De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd had systematisch gebruik van een checklist voor opsporen van kindermishandeling verplicht gesteld, in 2009 voor eerstehulpafdelingen van ziekenhuizen en in 2011 voor huisartsposten, terwijl de effectiviteit ervan niet onderzocht was. De checklist staat bekend als SPUTOVAMO. De naam is een acroniem van de eerste letter van de kernwoorden in 9 opeenvolgende vragen die in de oorspronkelijke checklist beantwoord moesten worden. Er bleken 4 hiervan overbodig en de in deze these geteste SPUTOVAMO-R2 bestaat uit 5 vragen. Bij gebrek aan beter werd een melding bij Veilig Thuis binnen 10 maanden na toepassing van de screening met de checklist als een geval kindermishandeling beschouwd. De screening bleek positief bij 108 van de 50.523 kinderen (0,21%). De meerderheid bleek vals-positief (0,20%). Voorts bleek de test bij 0,96% vals-negatief. De prevalentie van meldingen bij Veilig Thuis in de studiepopulatie bedroeg 0,97%.

Dus wanneer 10.000 kinderen van genoemde leeftijd op een huisartsenpost met dit instrument gescreend worden, is de test bij 22 kinderen vals-positief en bij slechts één kind terecht positief. Dan lopen 21 kinderen en hun familie gevaar valselijk beschuldigd te kunnen worden van vermoedens van kindermishandeling. Voorts worden dan 96 kinderen gemist waarbij vermoedens van kindermishandeling mogelijk terecht zouden zijn geweest.

Tot slot bleek het mogelijk de lengte van de checklist verder in te korten tot 2 vragen (SPUTOVAMO-R3) met behoud van de onverantwoordelijk geringe diagnostische waarde. Die vragen zijn ‘Klopt de verklaring voor het letsel met soort, plaats en uiterlijk van het letsel en de leeftijd van het kind? en ‘Hoe is het gedrag van begeleidende ouder(s) en kind en hun interactie?’.

Volgens Schouten is het enige nut van dit voor screening onbruikbare instrument dat het gebruik ervan artsen (nog) meer bewust maakt van de mogelijkheid van kindermishandeling, waarbij zij adviseert het te houden bij de R3 variant.

Onzes inziens is een bewustmakingsproces, waardoor vrijwel uitsluitend vals-positieve diagnosen van kindermishandeling zullen worden gesteld en vrijwel alle gevallen van vermoedelijke kindermishandeling gemist worden, een volslagen contraproductieve onderneming.

Zie voor het volledige artikel: Systematic screening for child abuse in out-of-hours primary care – Maartje Catharina Maria Schouten (PDF download)

Jurisprudentie

Overzicht jurisprudentie Tuchtrecht

Regionaal Tuchtcollege te Zwolle, 21 februari 2013, ECLI:NL:TGZRZWO:2013:YG2667, 011/2012

Essentie: Schending beroepsgeheim. Huisarts vermoedt Mbp door grote angst bij moeder. Niet overlegd met ouder alvorens melding te doen bij het AMK. Klacht gegrond vanwege niet voeren van overleg met de ouder alvorens te melden. Ook als gesprek lastig is, moet de arts het gesprek wel degelijk aangaan (derde stap meldcode KNMG 2008). De klachtonderdelen betreffende de AMK- melding en de stopzetting van de medicatie door de huisarts zonder de medisch specialist daarin te betrekken worden gegrond verklaard. Maatregel van waarschuwing wordt opgelegd.

RTC Eindhoven 18 mei 2016, ECLI:NL:TGZREIN:2016:39

Essentie: Vermoeden van Mbp wordt in bestek van enkele dagen een 100% zekerheid in de ogen van meldende arts. Arts heeft het hier ontbroken aan de noodzakelijke mate van zorgvuldigheid waarbij de veiligheid van het kind niet centraal heeft gestaan in het overigens onvolledige onderzoek (positie van vader en grootouders is onvoldoende onderzocht). De arts heeft evenmin argumenten aangedragen dat alleen klaagster de dader kon zijn. Het RTC verweet de betreffende arts in die zaak tunnelvisie en berispt de arts.

RTC Amsterdam 16 juni 2015, ECLI:NL:TGZRAMS:2015:71

Essentie: Geen onjuiste melding van arts. Diagnose PCF mocht worden gesteld en zegt niets over geestestoestand ouder, dan wel van anderen in de omgeving van het kind. Daarbij geeft noch het medisch dossier, noch de schriftelijke melding aan het AMK grondslag voor de stelling dat klaagster ten onrechte als dader van het toedienen van de lactulose heeft aangewezen. De diagnose PCF richt zich enkel op hetgeen bij het kind is aangetroffen. Ook uit de mededeling van de vertrouwensarts van het AMK is niet te concluderen dat moeder als enige mogelijke dader werd aangewezen.

CTG 2 september 2010, ECLI:NL:TGZCTC:2010:YG0565

Essentie: Arts heeft vermoeden van PCF en meldt dit, in de ogen van de tuchtrechter terecht, aan het AMK. De arts mocht en kon in redelijkheid vermoedens hebben, beschikte over voldoende aanwijzingen, voerde diverse malen overleg en heeft gehandeld overeenkomstig de Meldcode Kindermishandeling (2004). De vermoedens en aanwijzingen bestonden uit het ontbreken van een duidelijke en eenduidige diagnose voor langdurige klachten en ontvangst van een brief waarin een vermoeden van dermatitis artefacta werd geuit, hetgeen de zorgen van de arts bevestigde. De arts heeft zorgvuldig gehandeld door met behandelende psychologen te overleggen, anoniem overleg te plegen met de vertrouwensarts van het AMK en een multidisciplinair overleg te organiseren met de betrokken hulpverleners. Ook in dat overleg zijn vermoedens van kindermishandeling gedeeld. De arts heeft conform de meldcode gehandeld in deze en ook door het feit dat hij de ouders op te roepen om hen in kennis te stellen van zijn voornemen melding te doen bij het AMK. Er blijkt niet dat toestemming is verleend voor het verstrekken van de medische gegevens van het kind, maar hier was de situatie niet naar. Ouders werkten niet mee aan dit onderzoek. Het is aan het AMK om verder goed onderzoek te doen. De klacht wordt ongegrond verklaard.

RTC Amsterdam 26 september 2017, ECLI:NL:TGZRAMS:2017:108

Essentie: Arts stelt lichtzinnig en definitief de diagnose Mbp. De diagnose Mbp is in het algemeen (zeer) moeilijk vast te stellen, en arts heeft deze definitieve diagnose gesteld na een relatief korte onderzoeksperiode en zelfs kennelijk niet gekozen voor een werkdiagnose of differentiaaldiagnose ervan te maken. Dat de diagnose van de arts ondersteund werd door het MDO mag zo zijn, maar dat laat onverlet dat zij een eigen verantwoordelijkheid heeft hierover. Voor het vaststellen van de diagnose is geen informatie opgevraagd bij de huisarts van klaagster, terwijl deze in de regel meer zicht heeft op het gezin en mogelijke signalen van Mbp. Gegronde klacht en waarschuwing arts.

RTC Amsterdam 25 oktober 2016, ECLI:NL:TGZRAMS:2016:59

Essentie: Onderzoekende vertrouwensarts die vermoeden Mbp onderzoekt heeft vraagstelling niet neutraal gehouden. Met enkel het richten van de onderzoeksvraag op aanwijzingen die het vermoeden konden versterken, zonder de toevoeging ‘of verlichten’ of woorden van gelijke ontlastende strekking, wordt de schijn gewekt van vooringenomenheid. Het college acht de formulering onder de gegeven omstandigheden dan ook niet zorgvuldig. Arts is kort door de bocht gegaan bij vaststellen psychopathologie ouder. In het H-rapport staat een Borderline persoonlijkheidsstoornis vermeld zonder de toevoeging “trekken van”. Dit klemt nu bij de weging van FDP het hebben van een persoonlijkheidsstoornis van betekenis is. De waarheid komt in het gedrang door het handelen van de vertrouwensarts: klacht gegrond.

Overzicht jurisprudentie Europees Hof

P., C. and S. Tegen het VK – EHRM 16 juli 2002, nr. 56547/00 (EHRC 2002/86)

Essentie: Spoeduithuisplaatsing baby meteen na geboorte vanwege verdenking van Münchhausen by Proxy (Mbp). Ouders worden genegeerd door kinderbeschermingsinstanties en rechtbank. Zoeken van juridische bijstand door ouders wordt niet afgewacht en het kind wordt met spoed geadopteerd. Hof stelt schending artikel 6 EVRM vast (recht op eerlijk proces). Er was geen sprake van een levensbedreigende situatie, daarom was de spoeduithuisplaatsing en de spoedadoptie in strijd met artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging gezinsleven).

EHRM 17 december 2002, nr.35731/97 (Venema vs. Nederland)

Essentie: Vermoeden Mbp. In de zaak Venema vs. Nederland is te weinig overleg geweest met de ouders, waardoor zij niet over genoeg informatie beschikten. Als gevolg hiervan kregen de ouders geen mogelijkheid geboden om de procedure te beïnvloeden door bijvoorbeeld zelf medische informatie in te brengen of de gebruikte informatie te betwisten. Daarmee zijn de ouders door de betrokken organisaties voor een voldongen feit gesteld, zonder dat daarvoor voldoende reden bestond. Voormelde levert een schending van artikel 8 EVRM (recht op family life) op.

Strafzaken

Rechtbank Arnhem, 10 augustus 2009, RBARN:2009:BJ4722

Essentie: Rechtbank oordeelt dat verdachte steeds bewust de kans aanvaard heeft dat zijn zoontje als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden. Veroordeelde heeft zo gehandeld om, door middel van de ernstige ziekte van zijn zoontje, zelf aandacht te krijgen van de artsen. Dit is een uitingsvorm van het syndroom van Mbp volgens de betrokken deskundigen. Vader is verminderd ontoerekeningsvatbaar, dit staat zijn strafbaarheid niet in de weg.

Verdachte (vader) heeft zes tot tien maanden oude baby meerdere malen proberen te vermoorden door hem via zijn voeding een middel tegen schurft toe te dienen. Als gevolg hiervan is de baby in het ziekenhuis terechtgekomen. Daar heeft de verdachte via de sonde herhaaldelijk ontsmettingsmiddel toegediend.

Uit de toediening van bovengenoemde middelen blijkt de herhaaldelijke aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer (de baby) en dat de verdachte (vader) hiervan op de hoogte was. Uit het nastreven van dezelfde effecten concludeert de rechtbank dat verdachte zich bewust was van de risico’s van zijn handelingen. Doordat hij steeds opnieuw is doorgegaan met het toedienen van de schadelijke stoffen blijkt dat hij het risico voor lief heeft genomen. Dat de primaire opzet van verdachte hier gericht was het slachtoffer ziek te maken en niet dood, doet daar niets aan af. De verdachte heeft willens en wetens steeds de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou overlijden. Er is dus sprake van voorwaardelijke opzet. De rechtbank acht de poging tot moord meermalen gepleegd daarmee bewezen.

Rechtbank Dordrecht, 17 februari 2011, RBDOR:2011:BP5081

Essentie: Uit verklaringen van verdachte blijkt dat de verdachte de kans op dood welbewust heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen. Aanwijzingen voor Mbp.

Veroordeling voor poging tot doodslag. Door slachtoffer in zijn buik te injecteren met afwaswater heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij het slachtoffer zou kunnen doden.

Uit het forensisch medisch rapport bij deze zaak volgt dat de verrichte injecties de dood tot gevolg konden hebben. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de ontsteking in de buikvliesplooi gezien de ligging nog eens voor een verhoogd risico tot overlijden heeft gezorgd. Dat de verdachte de kans op de dood ook welbewust heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen, blijkt voorts uit hetgeen verdachte heeft verteld aan een van de getuigen.

Verdachte heeft haar namelijk verteld dat ze ‘dit’ (het injecteren) niet heeft gewild. Ook heeft ze verteld spijt te hebben dat ze niet harder tegen ‘hem’ heeft gevochten. Ondanks het feit dat verdachte wellicht onder invloed van een stoornis handelde, kan hieruit worden opgemerkt dat zij zich niettemin bewust is geweest van de gevaren van haar acties. Daarom acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte haar zoon opzettelijk van het leven heeft willen beroven.

Rechtbank Zwolle-Lelystad, 27 december 2011,RBZLY:2011:BU9355

Essentie: Münchhausen by Proxy. Verdachte heeft meerdere gelegenheden gehad zich te beraden over haar handelen. Ook waren de consequenties en risico’s van haar handelen haar bekend en had ze voldoende gelegenheid zich te beraden. Opzet en voorbedachten rade zijn daarom bewezen. Lichamelijk letsel ziet toe op zowel tijdelijk als permanent letsel. Failure to thrive; ondervoeding; poging doodslag dan wel zware mishandeling; strafmaat.

Voor het aannemen van zwaar lichamelijk letsel is niet vereist dat het letsel van blijvende aard is. Ook een tijdelijke en herstelbare verstoring van lichamelijke functies kan zwaar lichamelijk letsel opleveren. De structurele ondervoeding gedurende de gehele tenlastegelegde periode en de ernstige failure to thrive hebben tot gevolg gehad dat slachtoffer het eerste half jaar van haar leven nagenoeg geheel in ziekenhuizen heeft doorgebracht waar zij voor een zuigeling buitengewoon belastende medische ingrepen heeft moeten ondergaan teneinde de oorzaak van de failure to thrive te achterhalen. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat de toestand van slachtoffer in casu als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. In het algemeen kan gesteld worden dat het onthouden van adequate voeding aan een zuigeling (zeer) ernstige gevolgen kan hebben.

Verdachte was op de hoogte van de risico’s die ondervoeding van het slachtoffer met zich meebrachten. Dit blijkt uit een brief uit het medisch dossier waarin duidelijk wordt dat ouders zich terecht zeer veel zorgen maken over de conditie van het slachtoffer. Ook blijkt hieruit dat het beleid uitgebreid en regelmatig werd besproken. Verdachte heeft moeten beseffen dat de ondervoeding en de daarmee samenhangende failure to thrive zou kunnen leiden tot ernstige ziekte en moet zich dus van de risico’s van haar handelen bewust zijn geweest. Zij heeft ondanks dat zij op de hoogte was van de ondervoeding, de vele ziekenhuisopnames de manipulatie van de (samenstelling van de) voeding van het slachtoffer voortgezet en daarmee het risico voor lief genomen.

De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van slachtoffer heeft gehad en dat zij hierbij met voorbedachten rade heeft gehandeld. De verdachte heeft gelet op de vele ziekenhuisopnames en de verschillende manieren van toediening van voeding en de frequentie daarvan, gelegenheid gehad om zich te beraden over datgene dat zij deed, de betekenis en de gevolgen van haar (voorgenomen) daden.

Rechtbank Oost-Brabant. 18 maart 2013,RBOBR:2013:BZ4318

Essentie: Münchhausen by proxy. Het enkele feit dat verdachte onder invloed van een stoornis handelde levert geen strafvermindering op gelet op de normhandhaving door de rechtbank en de gevolgen van het handelen van de verdachte.

Verdachte die in het ziekenhuis meermalen desinfectievloeistof heeft toegediend aan haar zieke zoon. Bewezen verklaard is mishandeling met voorbedachten rade, begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd en opzettelijke benadeling van de gezondheid, gepleegd met voorbedachten rade, begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd. Feiten kunnen in verminderde mate worden toegerekend. Verdachte is lijdende aan de stoornis Münchhausen by proxy. Opgelegd: gevangenisstraf voor 312 dagen met aftrek voorarrest en tbs met voorwaarden.

Verdachte heeft een borderline-persoonlijkheidsstoornis met een ernstig gestagneerde identiteitsontwikkeling. Dit gaat bij betrokkene gepaard met een gevoel van leegte dat zij tracht te compenseren en/of te vullen met aandacht. Daarbovenop wordt een diagnose Münchhausen by proxy gesteld in de Pro Justitia rapportage en wordt het tenlastegelegde in verminderde mate toegerekend aan de verdachte. De kans op recidive is hoog als zij niet behandeld wordt voor haar psychische problematiek. De rechtbank is echter van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank acht het herhaaldelijk in de waagschaal leggen van de gezondheid van haar eigen zeer jonge kind waarbij het kind daardoor in coma is geraakt als zeer schokkend, ondanks de invloed van een psychiatrische stoornis en de spijtbetuiging van de verdachte ter zitting.

Gezag: OTS, UHP en gezagsbeëindiging

Rechtbank Alkmaar, 02 augustus 2006, RBALK:2006:AY5542

Essentie: Moeder is ontheven van het gezag over een baby die zij – mogelijk ten gevolge van het Münchhausen by proxysyndroom (dan wel PCF) – maar in ieder geval door een psychiatrische stoornis heeft getracht te smoren. Overweging rechtbank dat Mbp/PCF een verslavend karakter kent. Ook de schade die is vastgesteld bij de baby en het gebrek aan perspectief op overname zorg zijn doorslaggevend.

 

Baby stond voorlopig onder voogdij van BJZ en verbleef reeds ruime tijd in een pleeggezin, maar tijdens mondelinge behandeling blijkt dat de baby in het gezin van zus verblijft. De Raad voert als grondslag voor ontheffing van gezag aan dat moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van de baby te vervullen. Moeder zou misbruik hebben gemaakt van haar gezag en/of de verzorging van de baby op grove wijze hebben verwaarloosd. Moeder zou de baby meermalen in levensgevaar hebben gebracht door hem opzettelijk te smoren. Er is een psychiatrisch ziektebeeld vastgesteld dat uitgaat van een stoornis met borderline-trekken en mogelijk Mbp/PCF is herhaling van deze gebeurtenissen niet uit te sluiten.

 

Het syndroom Mbp/PCF heeft volgens de rechtbank een verslavend karakter, waardoor er voor baby grote risico’s bestaan dat hij schade ondervindt dan wel overlijdt ten gevolge van het handelen van de moeder. Ook zijn er aanwijzingen dat de baby daadwerkelijke schade heeft ondervonden van het handelen van de moeder. De rechtbank overweegt dat moeder aan een stoornis lijdt die haar handelswijze zodanig beïnvloedt dat de baby daarvan schade ondervindt. Daarbij is niet vast komen te staan dat moeder op enige termijn de zorg over kan nemen, ondanks zij bereid is zicht te laten behandelen. Nu vaststaat dat de minderjarige daadwerkelijk schade heeft ondervonden van het handelen van de moeder verzet het belang van de baby zich niet tegen de ontheffing van het gezag.

Rechtbank Haarlem, 10 april 2008, RBHAA:2008:BD1145

Essentie: Uitbreiding omgangsregeling moeder en kinderen, verzoek van moeder hiertoe, waaronder ook onbegeleid contact. Bij kinderen is PCF vastgesteld. Het onderzoek van moeder moet uitwijzen in hoeverre dit door een persoonlijkheidsstoornis of problematiek van moeder wordt veroorzaakt.

 

Dit is volgens de GI bepalend voor het verdere toekomstperspectief van de kinderen. Het onderzoek is gericht op de mogelijkheid van thuisplaatsing maar kan ook van belang zijn voor de frequentie van de omgangsregeling.

 

Stichting persisteert in haar standpunt de omgangsregeling niet te wijzigen. Aanleiding hiervoor is het verslag van Spirit waaruit een positieve omgangsregeling blijkt, naast zorgen over de overbezorgdheid van moeder. Kinderrechter stelt dat onbegeleid contact niet in belang van kinderen is gezien de PCF- problematiek. Het onderzoek naar moeder acht de kinderrechter noodzakelijk voorafgaand aan de bepaling van het toekomstperspectief van de kinderen. Moeder geeft ter zitting aan bereid te zijn volledig hieraan mee te werken. Een uitbreiding van de bestaande omgangsregeling ziet de kinderrechter als belastend voor de kinderen nu dit tot loyaliteits- en praktische problemen in het pleeggezin zou kunnen leiden. Wel ziet de kinderrechter termen voor een uitbreiding van de huidige omgangsregeling van twee naar drie uur begeleid contact per drie weken.

Rechtbank Haarlem, 14 augustus 2012,RBHAA:2012:3096

Essentie: PCF. Verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. De Raad geeft aan dat er na uitgebreid onderzoek een groot aantal signalen en risicofactoren naar voren zijn gekomen die kunnen wijzen in de richting van PCF (voorheen Mbp). Literatuurstudie en consultering van een PCF- deskundige, evenals alle betrokken behandelaars ondersteunen het vermoeden dat de ouders mogelijk een rol spelen in het ziek maken/houden/praten van de minderjarigen en adviseren observatie om dit vermoeden aan te tonen dan wel uit te kunnen sluiten.

De ouders hebbend daartegen als verweer gevoerd dat de gronden die voor de uithuisplaatsing in het verzoek van de Raad zijn aangevoerd, niet of nauwelijks zijn gesubstantieerd of onderbouwd.

De kinderrechter wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling toe. Uithuisplaatsing wordt afgewezen. Voor zover de Raad aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd dat er vermoedens bestaan dat de ouders lijden aan PCF en dat daarom sprake is van een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarigen die een uithuisplaatsing rechtvaardigt, is dit naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende onderbouwd, enerzijds onvoldoende naar de perso(o)n(en)/ instelling(en) die de vermoedens heeft of hebben geuit en anderszins onvoldoende naar de inhoud hiervan. Bovendien hebben ouders ter zitting aangegeven dat zij openstaan voor onderzoek en hun medewerking daaraan zullen verlenen.

Later werd de OTS opgeheven nadat de GI geen onderzoek bleek te verrichten en de ouders zelf wel een deskundige hadden ingeschakeld: Rb. Noord-Holland 4 maart 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:13929.

Rechtbank Almelo,25 augustus 2010, RBALM:2010:BN6105

Essentie: Mbp. Geen verzoek verlenging OTS met instemming van Raad voor de Kinderbescherming. Vader (belanghebbende) was in voornemen gezinsvoogdinstelling niet gekend en beklaagt zich bij de Raad. Die doet nieuw onderzoek en vraagt wederom OTS. Kinderrechter wijst af. Doelen al bereikt en of niet bereikbaar. Niet langer bedreiging van ontwikkeling.

 

Zowel moeder als kind zijn het niet eens met een verzoek verlenging OTS. Zij vinden het prima gaan en vinden een gezinsvoogd en OTS niet nodig. Vader wil wel graag OTS. De kinderrechter is van oordeel dat het verzoek behoort te worden afgewezen. Uit rapportage noch toelichting daarop blijkt van zodanig ernstige ontwikkelingsbedreigingen bij het kind dat weerom een zwaar middel as de gezagsbeperkende maatregel OTS ingezet moet worden. Moeder heeft trekken van een vrouw die behept is met het syndroom van Mbp. Het kind, inmiddels bijna 16 jaar oud, heeft een leeftijd gekregen dat hij met zijn verstand mans genoeg is om zich tegen eventuele nieuwe pogingen van moeder om hem allerlei onderzoeken te laten ondergaan te verweren. Hij heeft een goed contact met vader, die ook gezag heeft en dichtbij moeder woont. Uit niets is gebleken dat vader niet de mogelijkheid heeft om via goed contact met zoon op de hoogte zijn van alles, wat voldoende bescherming biedt als vader zijn taak goed oppakt en verantwoordelijkheid neemt. Het argument van vader voor OTS om via de gezinsvoogd op de hoogte te worden gehouden is onvoldoende zwaarwegend.

Juridische artikelen

Stappenplan meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld

Stichting Herbezinning geeft duiding aan de vijf verschillende stappen van de Meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld en biedt bovendien per stap relevante jurisprudentie.

Zie voor het volledige artikel: Meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld

Literatuurlijst

Asher R. Munchausen’s syndrome. Lancet 1951 Feb 10;1(6650):339-341.

Eerste publicatie over mensen die zichzelf bij een ziekenhuis presenteren met klachten die een acute ziekte nabootsen en vaak fantastische verhalen vertellen over wat ze allemaal voor ergs in hun verleden hebben meegemaakt. Doel daarvan is aandacht krijgen van artsen en verpleegkundigen. De meest vervelende onderzoeken en zelfs operaties kunnen zij gelaten ondergaan. Asher noemde dit het syndroom van Münchhausen omdat de patiënten net als de baron van Münchhausen dramatische, ongeloofwaardige verhalen vertellen.

Zie voor het volledige artikel: Ref. [1]: Asher R. Munchausen’s syndrome. Lancet 1951 Feb 10;1(6650):339-341.

Epidemiology of Munchausen syndrome by proxy, non-accidental poisoning, and non-accidental suffocation. Arch Dis Child 1996;75:57-61.

Deze studie vermeldt de resultaten van een tweejarig (‘9/1992-‘8/1994) prospectief onderzoek in het Verenigd Koninkrijk en de Republiek Ierland naar de jaarlijkse gecombineerde incidentie van nieuwe gevallen van de in de titel genoemde vormen van kindermishandeling. Deze bedroeg voor kinderen van 15 jaar en jonger 0,5 per 100.000 kinderen van die leeftijd en voor kinderen jonger dan 1 jaar 2,8 per 100.000 kinderen van die leeftijd. De regionale variatie was groot: voor kinderen van 15 jaar en jonger varieerde die van 0,1 tot 0,8 per 100.000 kinderen van die leeftijd. Dat betekent ongeveer 1 per jaar in de hypothetische situatie van een regio van 1 miljoen inwoners met de gemiddelde leeftijdsverdeling van deze studie. Dus 17 gevallen per jaar voor Nederland. Van de in totaal 128 gevallen die in 2 jaar verzameld waren, was in 30 gevallen (23%) sprake van vergiftiging of verstikking zonder kenmerken voor Münchausen by proxy Mbp. De berekende incidentie voor Mbp is hiermee nog 23% minder, voor Nederland 13-14 kinderen per jaar.

Zie voor het volledige artikel: Ref. [6]: McClure RJ, Davis PM, Meadow SR, Silbert JR. Epidemiology of Munchausen syndrome by proxy, non-accidental poisoning, and non-accidental suffocation. Arch Dis Child 1996;75:57-61.

Munchausen syndrome by proxy - the hinterland of child abuse. Lancet 1977 Aug 13;2(8033): 343-5.

Eerste publicatie over moeders die hun kind presenteren bij een ziekenhuisarts met een nagebootste ziekte, waarbij de ene moeder thermometers opwarmde in hete thee en menstruatiebloed aan het urinespecimen van hun kind toevoegde om een recidiverende urineweginfectie te simuleren, en de tweede moeder het kind overvoerde met een zoutoplossing. Dit laatste geval eindigde met de dood van het kind. Volgens Meadow was het eerste geval het eerste beschreven geval van ‘Munchausen syndrome by proxy’ ziekte nabootsen bij een kind om zelf aandacht van artsen te krijgen. Vergiftigingen van kinderen door moeders waren al eerder beschreven.

Zie voor het volledige artikel: Ref. [2]: Meadow R. Munchausen syndrome by proxy – the hinterland of child abuse. Lancet 1977 Aug 13;2(8033): 343-5.

Meadow R. What is, and what is not, ‘Munchausen syndrome by proxy’? Arch Dis Child 1995;72(6):534-8.

In dit artikel vraagt Meadow aandacht voor diagnosticeren van ‘Munchausen syndrome by proxy’ in gevallen die zijns inziens niet aan de definitie voldoen. Hij onderscheidt daarbij 8 situaties waarvan een aantal vaak voorkomt waarin dit gebeurt. Hij pleit ervoor de term alleen te gebruiken wanneer het motief van de moeder is: het aannemen van de ‘rol van zieke’, het krijgen van aandacht van artsen en paramedici. Daarbij merkt hij op dat dit heel lastig vast te stellen is en dat complex gedrag waarschijnlijk komt van complexe motieven. Als gevaar van het met deze term labelen van de dader in plaats van de situatie noemt hij dat dit ertoe kan leiden dat psychiaters de diagnose zouden kunnen weerspreken, terwijl die door de kinderarts op grond van klinisch en forensisch onderzoek op betrouwbare wijze is gesteld. Tot slot stelt hij dat de situatie labelen met een term niet het doel moet zijn en “that for an individual child who has been abused the most important thing is for the assessors to define accurately what has happened”.

Zie voor het volledige artikel: Ref. [3]: Meadow R. What is, and what is not, ‘Munchausen syndrome by proxy’? Arch Dis Child 1995;72(6):534-8.

ECLI:NL:TGZRAMS:2017:108.

Zaak voor het regionale tuchtcollege voor de gezondheidszorg te Amsterdam in 2017. Het tuchtcollege legde de jeugdpsychiater de maatregel van waarschuwing op “omdat de door verweerster gestelde diagnose Münchhausen by proxy niet zonder meer volgt uit haar onderzoek en in ieder geval in die fase van het onderzoek prematuur is te noemen”.

Zie voor het volledige artikel: Ref. [4]: ECLI:NL:TGZRAMS:2017:108.

ECLI:NL:TGZRAMS:2018:43

Zaak voor het regionale tuchtcollege voor de gezondheidszorg te Amsterdam in 2017 met uitspraak in 2018. Het tuchtcollege legde de aangeklaagde vertrouwensarts die ten onrechte de diagnose kindermishandeling door ‘pediatric condition faslification’ bij het kind van de klager had gesteld, de maatregel van berisping op omdat:

  1. deze vertrouwensarts tekortgeschoten was in haar onderzoek door onvoldoende op zoek te zijn gegaan naar informatie die haar ideeën tegenspraken;
  2. zij de medische informatie die buiten haar deskundigheidsgebied lag onzorgvuldig had beoordeeld;
  3. zij niet adequaat met het kind in kwestie had gecommuniceerd.

Zie voor het volledige artikel: Ref. [5]: ECLI:NL:TGZRAMS:2018:43.

Zanten M van, Brenninkmeijer AFM. Waarheidsvinding: van groot belang in de jeugdbescherming. Tijdsch Fam Jeugdrecht 2011;76:1-4.

De auteurs hekelen de visie op waarheidsvinding in de jeugdzorg anno 2011. Waarheidsvinding werd in ieder geval destijds volgens de auteurs zodanig zwaar opgevat dat het daarmee als een onuitvoerbare opgave werd gezien. Volgens de auteurs moet waarheidsvinding betekenen dat, wanneer de informatie van doorslaggevend belang is bij het nemen van ingrijpende beslissingen, binnen de mogelijkheden alles wordt gedaan om de waarheid te achterhalen opdat geen verkeerde beslissing wordt genomen die verstrekkende gevolgen kan hebben. “Bescherming van kinderen tegen gevaar en beschadiging vormt één belang, een ander belang vormt het voor het kind zorgvuldig omgaan met de relatie met zo mogelijk beide ouders.”

Zie voor het volledige artikel: Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht. Waarheidsvinding: van groot belang in de jeugdbescherming (PDF download)