Kennisbank

Via de kennisbank van Stichting Herbezinning kun je je verdiepen in de wereld van Münchausen by Proxy. Dit kan aan de hand van wetenschappelijke artikelen, juridische uitspraken en andere relevante publicaties.

Wetenschappelijke onderzoeken

Wetenschappelijke artikelen

Jurisprudentie

Overzicht jurisprudentie Tuchtrecht

Regionaal Tuchtcollege te Zwolle, 21 februari 2013, ECLI:NL:TGZRZWO:2013:YG2667, 011/2012

Essentie: Schending beroepsgeheim. Huisarts vermoedt Mbp door grote angst bij moeder. Niet overlegd met ouder alvorens melding te doen bij het AMK. Klacht gegrond vanwege niet voeren van overleg met de ouder alvorens te melden. Ook als gesprek lastig is, moet de arts het gesprek wel degelijk aangaan (derde stap meldcode KNMG 2008). De klachtonderdelen betreffende de AMK- melding en de stopzetting van de medicatie door de huisarts zonder de medisch specialist daarin te betrekken worden gegrond verklaard. Maatregel van waarschuwing wordt opgelegd.

RTC Eindhoven 18 mei 2016, ECLI:NL:TGZREIN:2016:39

Essentie: Vermoeden van Mbp wordt in bestek van enkele dagen een 100% zekerheid in de ogen van meldende arts. Arts heeft het hier ontbroken aan de noodzakelijke mate van zorgvuldigheid waarbij de veiligheid van het kind niet centraal heeft gestaan in het overigens onvolledige onderzoek (positie van vader en grootouders is onvoldoende onderzocht). De arts heeft evenmin argumenten aangedragen dat alleen klaagster de dader kon zijn. Het RTC verweet de betreffende arts in die zaak tunnelvisie en berispt de arts.

RTC Amsterdam 16 juni 2015, ECLI:NL:TGZRAMS:2015:71

Essentie: Geen onjuiste melding van arts. Diagnose PCF mocht worden gesteld en zegt niets over geestestoestand ouder, dan wel van anderen in de omgeving van het kind. Daarbij geeft noch het medisch dossier, noch de schriftelijke melding aan het AMK grondslag voor de stelling dat klaagster ten onrechte als dader van het toedienen van de lactulose heeft aangewezen. De diagnose PCF richt zich enkel op hetgeen bij het kind is aangetroffen. Ook uit de mededeling van de vertrouwensarts van het AMK is niet te concluderen dat moeder als enige mogelijke dader werd aangewezen.

CTG 2 september 2010, ECLI:NL:TGZCTC:2010:YG0565

Essentie: Arts heeft vermoeden van PCF en meldt dit, in de ogen van de tuchtrechter terecht, aan het AMK. De arts mocht en kon in redelijkheid vermoedens hebben, beschikte over voldoende aanwijzingen, voerde diverse malen overleg en heeft gehandeld overeenkomstig de Meldcode Kindermishandeling (2004). De vermoedens en aanwijzingen bestonden uit het ontbreken van een duidelijke en eenduidige diagnose voor langdurige klachten en ontvangst van een brief waarin een vermoeden van dermatitis artefacta werd geuit, hetgeen de zorgen van de arts bevestigde. De arts heeft zorgvuldig gehandeld door met behandelende psychologen te overleggen, anoniem overleg te plegen met de vertrouwensarts van het AMK en een multidisciplinair overleg te organiseren met de betrokken hulpverleners. Ook in dat overleg zijn vermoedens van kindermishandeling gedeeld. De arts heeft conform de meldcode gehandeld in deze en ook door het feit dat hij de ouders op te roepen om hen in kennis te stellen van zijn voornemen melding te doen bij het AMK. Er blijkt niet dat toestemming is verleend voor het verstrekken van de medische gegevens van het kind, maar hier was de situatie niet naar. Ouders werkten niet mee aan dit onderzoek. Het is aan het AMK om verder goed onderzoek te doen. De klacht wordt ongegrond verklaard.

RTC Amsterdam 26 september 2017, ECLI:NL:TGZRAMS:2017:108

Essentie: Arts stelt lichtzinnig en definitief de diagnose Mbp. De diagnose Mbp is in het algemeen (zeer) moeilijk vast te stellen, en arts heeft deze definitieve diagnose gesteld na een relatief korte onderzoeksperiode en zelfs kennelijk niet gekozen voor een werkdiagnose of differentiaaldiagnose ervan te maken. Dat de diagnose van de arts ondersteund werd door het MDO mag zo zijn, maar dat laat onverlet dat zij een eigen verantwoordelijkheid heeft hierover. Voor het vaststellen van de diagnose is geen informatie opgevraagd bij de huisarts van klaagster, terwijl deze in de regel meer zicht heeft op het gezin en mogelijke signalen van Mbp. Gegronde klacht en waarschuwing arts.

RTC Amsterdam 25 oktober 2016, ECLI:NL:TGZRAMS:2016:59

Essentie: Onderzoekende vertrouwensarts die vermoeden Mbp onderzoekt heeft vraagstelling niet neutraal gehouden. Met enkel het richten van de onderzoeksvraag op aanwijzingen die het vermoeden konden versterken, zonder de toevoeging ‘of verlichten’ of woorden van gelijke ontlastende strekking, wordt de schijn gewekt van vooringenomenheid. Het college acht de formulering onder de gegeven omstandigheden dan ook niet zorgvuldig. Arts is kort door de bocht gegaan bij vaststellen psychopathologie ouder. In het H-rapport staat een Borderline persoonlijkheidsstoornis vermeld zonder de toevoeging “trekken van”. Dit klemt nu bij de weging van FDP het hebben van een persoonlijkheidsstoornis van betekenis is. De waarheid komt in het gedrang door het handelen van de vertrouwensarts: klacht gegrond.

Overzicht jurisprudentie Europees Hof

P., C. and S. Tegen het VK – EHRM 16 juli 2002, nr. 56547/00 (EHRC 2002/86)

Essentie: Spoeduithuisplaatsing baby meteen na geboorte vanwege verdenking van Münchhausen by Proxy (Mbp). Ouders worden genegeerd door kinderbeschermingsinstanties en rechtbank. Zoeken van juridische bijstand door ouders wordt niet afgewacht en het kind wordt met spoed geadopteerd. Hof stelt schending artikel 6 EVRM vast (recht op eerlijk proces). Er was geen sprake van een levensbedreigende situatie, daarom was de spoeduithuisplaatsing en de spoedadoptie in strijd met artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging gezinsleven).

EHRM 17 december 2002, nr.35731/97 (Venema vs. Nederland)

Essentie: Vermoeden Mbp. In de zaak Venema vs. Nederland is te weinig overleg geweest met de ouders, waardoor zij niet over genoeg informatie beschikten. Als gevolg hiervan kregen de ouders geen mogelijkheid geboden om de procedure te beïnvloeden door bijvoorbeeld zelf medische informatie in te brengen of de gebruikte informatie te betwisten. Daarmee zijn de ouders door de betrokken organisaties voor een voldongen feit gesteld, zonder dat daarvoor voldoende reden bestond. Voormelde levert een schending van artikel 8 EVRM (recht op family life) op.

Strafzaken

Rechtbank Arnhem, 10 augustus 2009, RBARN:2009:BJ4722

Essentie: Rechtbank oordeelt dat verdachte steeds bewust de kans aanvaard heeft dat zijn zoontje als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden. Veroordeelde heeft zo gehandeld om, door middel van de ernstige ziekte van zijn zoontje, zelf aandacht te krijgen van de artsen. Dit is een uitingsvorm van het syndroom van Mbp volgens de betrokken deskundigen. Vader is verminderd ontoerekeningsvatbaar, dit staat zijn strafbaarheid niet in de weg.

 

Verdachte (vader) heeft zes tot tien maanden oude baby meerdere malen proberen te vermoorden door hem via zijn voeding een middel tegen schurft toe te dienen. Als gevolg hiervan is de baby in het ziekenhuis terechtgekomen. Daar heeft de verdachte via de sonde herhaaldelijk ontsmettingsmiddel toegediend.

 

Uit de toediening van bovengenoemde middelen blijkt de herhaaldelijke aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer (de baby) en dat de verdachte (vader) hiervan op de hoogte was. Uit het nastreven van dezelfde effecten concludeert de rechtbank dat verdachte zich bewust was van de risico’s van zijn handelingen. Doordat hij steeds opnieuw is doorgegaan met het toedienen van de schadelijke stoffen blijkt dat hij het risico voor lief heeft genomen. Dat de primaire opzet van verdachte hier gericht was het slachtoffer ziek te maken en niet dood, doet daar niets aan af. De verdachte heeft willens en wetens steeds de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou overlijden. Er is dus sprake van voorwaardelijke opzet. De rechtbank acht de poging tot moord meermalen gepleegd daarmee bewezen.

Rechtbank Dordrecht, 17 februari 2011, RBDOR:2011:BP5081

Essentie: Uit verklaringen van verdachte blijkt dat de verdachte de kans op dood welbewust heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen. Aanwijzingen voor Mbp.

 

Veroordeling voor poging tot doodslag. Door slachtoffer in zijn buik te injecteren met afwaswater heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij het slachtoffer zou kunnen doden.

 

Uit het forensisch medisch rapport bij deze zaak volgt dat de verrichte injecties de dood tot gevolg konden hebben. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de ontsteking in de buikvliesplooi gezien de ligging nog eens voor een verhoogd risico tot overlijden heeft gezorgd. Dat de verdachte de kans op de dood ook welbewust heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen, blijkt voorts uit hetgeen verdachte heeft verteld aan een van de getuigen.

 

Verdachte heeft haar namelijk verteld dat ze ‘dit’ (het injecteren) niet heeft gewild. Ook heeft ze verteld spijt te hebben dat ze niet harder tegen ‘hem’ heeft gevochten. Ondanks het feit dat verdachte wellicht onder invloed van een stoornis handelde, kan hieruit worden opgemerkt dat zij zich niettemin bewust is geweest van de gevaren van haar acties. Daarom acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte haar zoon opzettelijk van het leven heeft willen beroven.

Rechtbank Zwolle-Lelystad, 27 december 2011,RBZLY:2011:BU9355

Essentie: Münchhausen by Proxy. Verdachte heeft meerdere gelegenheden gehad zich te beraden over haar handelen. Ook waren de consequenties en risico’s van haar handelen haar bekend en had ze voldoende gelegenheid zich te beraden. Opzet en voorbedachten rade zijn daarom bewezen. Lichamelijk letsel ziet toe op zowel tijdelijk als permanent letsel. Failure to thrive; ondervoeding; poging doodslag dan wel zware mishandeling; strafmaat.

 

Voor het aannemen van zwaar lichamelijk letsel is niet vereist dat het letsel van blijvende aard is. Ook een tijdelijke en herstelbare verstoring van lichamelijke functies kan zwaar lichamelijk letsel opleveren. De structurele ondervoeding gedurende de gehele tenlastegelegde periode en de ernstige failure to thrive hebben tot gevolg gehad dat slachtoffer het eerste half jaar van haar leven nagenoeg geheel in ziekenhuizen heeft doorgebracht waar zij voor een zuigeling buitengewoon belastende medische ingrepen heeft moeten ondergaan teneinde de oorzaak van de failure to thrive te achterhalen. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat de toestand van slachtoffer in casu als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. In het algemeen kan gesteld worden dat het onthouden van adequate voeding aan een zuigeling (zeer) ernstige gevolgen kan hebben.

 

Verdachte was op de hoogte van de risico’s die ondervoeding van het slachtoffer met zich meebrachten. Dit blijkt uit een brief uit het medisch dossier waarin duidelijk wordt dat ouders zich terecht zeer veel zorgen maken over de conditie van het slachtoffer. Ook blijkt hieruit dat het beleid uitgebreid en regelmatig werd besproken. Verdachte heeft moeten beseffen dat de ondervoeding en de daarmee samenhangende failure to thrive zou kunnen leiden tot ernstige ziekte en moet zich dus van de risico’s van haar handelen bewust zijn geweest. Zij heeft ondanks dat zij op de hoogte was van de ondervoeding, de vele ziekenhuisopnames de manipulatie van de (samenstelling van de) voeding van het slachtoffer voortgezet en daarmee het risico voor lief genomen.

 

De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van slachtoffer heeft gehad en dat zij hierbij met voorbedachten rade heeft gehandeld. De verdachte heeft gelet op de vele ziekenhuisopnames en de verschillende manieren van toediening van voeding en de frequentie daarvan, gelegenheid gehad om zich te beraden over datgene dat zij deed, de betekenis en de gevolgen van haar (voorgenomen) daden.

Rechtbank Oost-Brabant. 18 maart 2013,RBOBR:2013:BZ4318

Essentie: Münchhausen by proxy. Het enkele feit dat verdachte onder invloed van een stoornis handelde levert geen strafvermindering op gelet op de normhandhaving door de rechtbank en de gevolgen van het handelen van de verdachte.

 

Verdachte die in het ziekenhuis meermalen desinfectievloeistof heeft toegediend aan haar zieke zoon. Bewezen verklaard is mishandeling met voorbedachten rade, begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd en opzettelijke benadeling van de gezondheid, gepleegd met voorbedachten rade, begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd. Feiten kunnen in verminderde mate worden toegerekend. Verdachte is lijdende aan de stoornis Münchhausen by proxy. Opgelegd: gevangenisstraf voor 312 dagen met aftrek voorarrest en tbs met voorwaarden.

 

Verdachte heeft een borderline-persoonlijkheidsstoornis met een ernstig gestagneerde identiteitsontwikkeling. Dit gaat bij betrokkene gepaard met een gevoel van leegte dat zij tracht te compenseren en/of te vullen met aandacht. Daarbovenop wordt een diagnose Münchhausen by proxy gesteld in de Pro Justitia rapportage en wordt het tenlastegelegde in verminderde mate toegerekend aan de verdachte. De kans op recidive is hoog als zij niet behandeld wordt voor haar psychische problematiek. De rechtbank is echter van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank acht het herhaaldelijk in de waagschaal leggen van de gezondheid van haar eigen zeer jonge kind waarbij het kind daardoor in coma is geraakt als zeer schokkend, ondanks de invloed van een psychiatrische stoornis en de spijtbetuiging van de verdachte ter zitting.

Gezag: OTS, UHP en gezagsbeëindiging

Rechtbank Alkmaar, 02 augustus 2006, RBALK:2006:AY5542

Essentie: Moeder is ontheven van het gezag over een baby die zij – mogelijk ten gevolge van het Münchhausen by proxysyndroom (dan wel PCF) – maar in ieder geval door een psychiatrische stoornis heeft getracht te smoren. Overweging rechtbank dat Mbp/PCF een verslavend karakter kent. Ook de schade die is vastgesteld bij de baby en het gebrek aan perspectief op overname zorg zijn doorslaggevend.

 

Baby stond voorlopig onder voogdij van BJZ en verbleef reeds ruime tijd in een pleeggezin, maar tijdens mondelinge behandeling blijkt dat de baby in het gezin van zus verblijft. De Raad voert als grondslag voor ontheffing van gezag aan dat moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van de baby te vervullen. Moeder zou misbruik hebben gemaakt van haar gezag en/of de verzorging van de baby op grove wijze hebben verwaarloosd. Moeder zou de baby meermalen in levensgevaar hebben gebracht door hem opzettelijk te smoren. Er is een psychiatrisch ziektebeeld vastgesteld dat uitgaat van een stoornis met borderline-trekken en mogelijk Mbp/PCF is herhaling van deze gebeurtenissen niet uit te sluiten.

 

Het syndroom Mbp/PCF heeft volgens de rechtbank een verslavend karakter, waardoor er voor baby grote risico’s bestaan dat hij schade ondervindt dan wel overlijdt ten gevolge van het handelen van de moeder. Ook zijn er aanwijzingen dat de baby daadwerkelijke schade heeft ondervonden van het handelen van de moeder. De rechtbank overweegt dat moeder aan een stoornis lijdt die haar handelswijze zodanig beïnvloedt dat de baby daarvan schade ondervindt. Daarbij is niet vast komen te staan dat moeder op enige termijn de zorg over kan nemen, ondanks zij bereid is zicht te laten behandelen. Nu vaststaat dat de minderjarige daadwerkelijk schade heeft ondervonden van het handelen van de moeder verzet het belang van de baby zich niet tegen de ontheffing van het gezag.

Rechtbank Haarlem, 10 april 2008, RBHAA:2008:BD1145

Essentie: Uitbreiding omgangsregeling moeder en kinderen, verzoek van moeder hiertoe, waaronder ook onbegeleid contact. Bij kinderen is PCF vastgesteld. Het onderzoek van moeder moet uitwijzen in hoeverre dit door een persoonlijkheidsstoornis of problematiek van moeder wordt veroorzaakt.

 

Dit is volgens de GI bepalend voor het verdere toekomstperspectief van de kinderen. Het onderzoek is gericht op de mogelijkheid van thuisplaatsing maar kan ook van belang zijn voor de frequentie van de omgangsregeling.

 

Stichting persisteert in haar standpunt de omgangsregeling niet te wijzigen. Aanleiding hiervoor is het verslag van Spirit waaruit een positieve omgangsregeling blijkt, naast zorgen over de overbezorgdheid van moeder. Kinderrechter stelt dat onbegeleid contact niet in belang van kinderen is gezien de PCF- problematiek. Het onderzoek naar moeder acht de kinderrechter noodzakelijk voorafgaand aan de bepaling van het toekomstperspectief van de kinderen. Moeder geeft ter zitting aan bereid te zijn volledig hieraan mee te werken. Een uitbreiding van de bestaande omgangsregeling ziet de kinderrechter als belastend voor de kinderen nu dit tot loyaliteits- en praktische problemen in het pleeggezin zou kunnen leiden. Wel ziet de kinderrechter termen voor een uitbreiding van de huidige omgangsregeling van twee naar drie uur begeleid contact per drie weken.

Rechtbank Haarlem, 14 augustus 2012,RBHAA:2012:3096

Essentie: PCF. Verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. De Raad geeft aan dat er na uitgebreid onderzoek een groot aantal signalen en risicofactoren naar voren zijn gekomen die kunnen wijzen in de richting van PCF (voorheen Mbp). Literatuurstudie en consultering van een PCF- deskundige, evenals alle betrokken behandelaars ondersteunen het vermoeden dat de ouders mogelijk een rol spelen in het ziek maken/houden/praten van de minderjarigen en adviseren observatie om dit vermoeden aan te tonen dan wel uit te kunnen sluiten.

 

De ouders hebbend daartegen als verweer gevoerd dat de gronden die voor de uithuisplaatsing in het verzoek van de Raad zijn aangevoerd, niet of nauwelijks zijn gesubstantieerd of onderbouwd.

 

De kinderrechter wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling toe. Uithuisplaatsing wordt afgewezen. Voor zover de Raad aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd dat er vermoedens bestaan dat de ouders lijden aan PCF en dat daarom sprake is van een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarigen die een uithuisplaatsing rechtvaardigt, is dit naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende onderbouwd, enerzijds onvoldoende naar de perso(o)n(en)/ instelling(en) die de vermoedens heeft of hebben geuit en anderszins onvoldoende naar de inhoud hiervan. Bovendien hebben ouders ter zitting aangegeven dat zij openstaan voor onderzoek en hun medewerking daaraan zullen verlenen.

 

Later werd de OTS opgeheven nadat de GI geen onderzoek bleek te verrichten en de ouders zelf wel een deskundige hadden ingeschakeld: Rb. Noord-Holland 4 maart 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:13929.

Rechtbank Almelo,25 augustus 2010, RBALM:2010:BN6105

Essentie: Mbp. Geen verzoek verlenging OTS met instemming van Raad voor de Kinderbescherming. Vader (belanghebbende) was in voornemen gezinsvoogdinstelling niet gekend en beklaagt zich bij de Raad. Die doet nieuw onderzoek en vraagt wederom OTS. Kinderrechter wijst af. Doelen al bereikt en of niet bereikbaar. Niet langer bedreiging van ontwikkeling.

 

Zowel moeder als kind zijn het niet eens met een verzoek verlenging OTS. Zij vinden het prima gaan en vinden een gezinsvoogd en OTS niet nodig. Vader wil wel graag OTS. De kinderrechter is van oordeel dat het verzoek behoort te worden afgewezen. Uit rapportage noch toelichting daarop blijkt van zodanig ernstige ontwikkelingsbedreigingen bij het kind dat weerom een zwaar middel as de gezagsbeperkende maatregel OTS ingezet moet worden. Moeder heeft trekken van een vrouw die behept is met het syndroom van Mbp. Het kind, inmiddels bijna 16 jaar oud, heeft een leeftijd gekregen dat hij met zijn verstand mans genoeg is om zich tegen eventuele nieuwe pogingen van moeder om hem allerlei onderzoeken te laten ondergaan te verweren. Hij heeft een goed contact met vader, die ook gezag heeft en dichtbij moeder woont. Uit niets is gebleken dat vader niet de mogelijkheid heeft om via goed contact met zoon op de hoogte zijn van alles, wat voldoende bescherming biedt als vader zijn taak goed oppakt en verantwoordelijkheid neemt. Het argument van vader voor OTS om via de gezinsvoogd op de hoogte te worden gehouden is onvoldoende zwaarwegend.

Juridische artikelen